• Hoi!
    Ik ben Camiel.

    En momenteel studeer ik een half jaar aan Monash University in Melbourne, Australië.


    Scroll naar beneden om meer te lezen over mijn avonturen.

achtergrondinformatie

Eh, wat?

Ja, precies. Van de Universiteit Twente, waar ik normaal gesproken studeer, heb ik de mogelijkheid gekregen om een half jaar in het buitenland te studeren. Die mogelijkheid heb ik met beide handen aangegrepen en zodoende zit ik nu in Melbourne.

Hieronder staan een paar veelgestelde vragen met antwoorden die een en ander iets duidelijker zouden moeten maken.
Mocht je al weten hoe de vork in de steel zit, scroll dan verder om wat foto's te zien en verhalen te lezen over mijn avonturen aan de andere kant van de wereld.

Veelgestelde vragen

Waarom niet? Ik mocht een paar voorkeuren doorgeven. Monash University in Melbourne stond voor mij op plek 1, maar Trondheim (Noorwegen), Lynköping (Zweden) en zelfs Antwerpen (België, voor de topografisch inepten) waren opties. Met een gewogen loting, op basis van mijn gemiddelde cijfers tot nu toe, ben ik uiteindelijk bij Monash University ingedeeld.

Voornamelijk vakken in dezelfde richting als waar ik in Enschede voor studeer: Industrial Design. Dat komt neer op een combinatie tussen productontwerp, marketing en productiemanagement. Ik wilde van de gelegenheid gebruik maken om hier dieper in te gaan op de wereld van interieurarchitectuur en meubelontwerp, maar om verschillende redenen heb ik dat vakkenpakket helaas wat moeten aanpassen. Op dit moment doe ik:

  • Service and mobility design
    Dit gaat over het ontwerpen van openbare vervoerssystemen en soortgelijke diensten.
  • Design for sustainability
    De wetenschap achter het ontwerpen van duurzame producten op een milieubewuste manier.
  • Modernism in design
    De geschiedenis van de moderne kunst en de invloed en toepassing daarvan op het ontwerp van producten.
  • Photography
    De ontwikkeling van fotografie en de invloed daarvan op graphic design en advertenties.

Er zit dus van alles wat tussen. Het is, als ik heel eerlijk ben, niet het meest enerverende vakkenpakket, maar alle vakken weten op hun eigen manier erg boeiend te zijn en ik leer er ook nog wat van.

Misschien niet echt. Mijn semester duurt maar 12 weken, met daarbinnen nog een vrije week en daarna ook nog een. Daarna beginnen nog examens, maar omdat mijn vakken geen examens hebben ben ik dan ook al vrij. Kortom, ik krijg in 12 weken evenveel studiepunten als waar ik in Nederland 20 weken voor had moeten zitten. Vertel dat maar niet door.

Dat heb ik inderdaad. En ik ga er dankbaar gebruik van maken ook. Het grootste gedeelte van deze website zal wel vol komen te staan met foto's en verhalen van de reisjes en roadtrips die me nu nog te wachten staan. In mijn vrije tijd hang ik hier professioneel de toerist uit.

Deel 1: het studeren
melbourne

het begin

Dus. Ik ben eigenlijk al halverwege mijn semester en ik begin toch al eens te typen over wat ik hier allemaal aan het doen ben. Het lijkt me handig om even met een samenvatting te beginnen. 12 juli ben ik aangekomen in Clayton, een suburb van Melbourne. Hier ligt de grootste campus van Monash University, de universiteit waar ik een semester lang mag studeren. Op deze campus heb ik ook mijn accommodatie geregeld, via de universiteit. Ik heb er een klein kamertje in een redelijk oud gebouw aan de rand van de campus. Keuken en badkamers worden gedeeld met de hele verdieping: 34 (vierendertig!) man. Redelijk wat dus.
In de eerste week moet er nog een en ander geregeld worden. Ik moet me officieel aanmelden bij de studentenaccommodatie,

waar ik een set dekens krijg die al in de jaren ’70 uit de mode zijn geraakt en ook nét niet dat retro-gehalte hebben om ooit weer terug in de mode te geraken. Ik verken de campus wat, haal mijn studentenpasje op en neem de bus naar de andere campus, in Caulfield. Hier ligt het hoofdgebouw van de faculteit Arts, Design and Architecture, waar ik de meeste vakken volg. Het blijkt dat niet alle vakken die van tevoren goedgekeurd zijn ook daadwerkelijk gegeven worden dit semester, dus ik moet wat aanpassen aan mijn vakkenpakket. Waar ik een paar interieurarchitectuur- en meubelontwerpvakken wilde volgen, moet ik die nu opgeven en uitwijken naar kunstgeschiedenis en esthetiek. Niet helemaal wat ik verwachtte, maar wel interessant.


Na de vakkenwijziging blijkt wel dat al mijn colleges in Caulfield gaan plaatsvinden. Dan ligt mijn accommodatie in Clayton wel redelijk uit de slag, maar soit. Er rijdt een shuttlebus van Monash University tussen beide campussen, dus het moet wel te overzien zijn. Later die week is er nog een orientatiesessie voor studenten die later gearriveerd zijn. Er is een officiële orientatieweek geweest, maar daar kon ik helaas niet bij zijn. Gelukkig ontmoet ik bij deze sessie ook een paar andere internationale studenten waarmee ik diezelfde avond nog naar een feestje ga. Op die manier begint het leven zich toch te ontvouwen.


Ik heb de eerste studieweek erop zitten en ik ben met Lorant (Lorri) en Imre (Imi), twee jongens uit Hongarije, op weg naar hun tweedehands auto. Ze hebben mij gevraagd om mee te gaan kijken vanwege mijn iets technischere aanleg en iets minder karige kennis over auto’s. Een majestueuze Mitsubishi Pajero uit ’98 wordt voor $4600 gekocht. Als dank word ik uitgenodigd om met hun mee te gaan op verschillende roadtrips naar bezienswaardigheden rondom de stad. Dit lijkt me hartstikke geweldig.

een beetje meer beter

Eén aspect van het leven hier dat nog wat aandacht verdient is de kamer. Nu er overal om me heen last-minute plannen gemaakt worden om de stad in te gaan, vind ik het wel jammer om zover buiten het centrum te wonen. Zodra iemand op een idee komt om iets te ondernemen, begin ik direct te rekenen en te zoeken naar manieren om in de stad te komen en ook weer terug te geraken. Na een tijdje besluit ik om toch eens te kijken of er accommodatie te vinden is tussen Caulfield en het centrum, om zo de reistijd te halveren en wat meer flexibiliteit te krijgen. Ik ben benieuwd naar wat het me oplevert. Ik krijg van alle kanten tips en tricks om de zoektocht naar een kamer zo gemakkelijk mogelijk te maken.

Het geheel gaat ook beter dan verwacht. Twee Belgische uitwisselingsstudentes, Lise en Laura, moeten verhuizen naar een ander appartement en zoeken een derde huisgenoot. Binnen een week is een nieuwe kamer geregeld. Dan is het wel nog een kwestie van mijn oude kamer kwijtraken, dat wil zeggen een nieuwe huurder vinden. Gelukkig gaan ze bij Monash Residential Services snel aan de slag en binnen anderhalve week is er een vervanger gevonden. Vanaf 16 augustus kan ik in mijn nieuwe kamer, vanaf 1 september is mijn oude kamer van iemand anders. Dat betekent dat ik twee weken dubbele huur moet betalen, maar dat valt me nog mee. Ik had net zo goed nog een half jaar aan mijn oude kamer vast kunnen hebben gezeten.


Het studeren is inmiddels goed bezig en de eerste deadlines komen in zicht. Gelukkig valt het mee qua last en uitdaging, dus heb ik tijd om er een beetje op uit te trekken. Niet alleen de leuke barretjes met wat cocktails, jazzcafés en studentenfeestjes, maar ook de parken in en om de stad worden bezocht. De Royal Botanical Gardens, een soort Central Park maar dan niet central en minder groot, zijn erg indrukwekkend, net als Albert Park, waar het Formule 1-circuit ligt, en de Fitzroy Gardens.


De tijd om te verhuizen is aangebroken en samen met Lorri, Imi en hun auto pikken we de spullen van Lise en Laura op en vertrekken we naar ons nieuwe appartement in St Kilda, een buitenwijk aan het strand, tussen het centrum en de universiteit in. Het voelt er meteen als thuis. Ik heb nu echt het gevoel dat ik in een grote stad woon, niet in een inwisselbare campusgrotwoning die overal in de wereld had kunnen staan. Ook zijn er vrienden om mee uit te gaan, trams om laat mee thuis te komen en vooral huisgenoten om samen mee te koken en te eten. Precies goed dus!

Torquay

Surftrip

Iets dat ook vaker gebeurt dan normaal: weekendjes weg. In de gehele “nu we er toch zijn”-mentaliteit wordt er een tripje naar Torquay georganiseerd door een hoop (echt, een hóóp) Duitsers. Torquay ligt anderhalf uur rijden van Melbourne, we huren er een huis en komen vooral langs om te surfen en te barbecueën. Dat laatste lukt wel, het eerste weet ik niet zo goed. Surfen heb ik nog nooit gedaan en ik ben bang dat het bij mij al fout zal gaan bij het aantrekken van het wetsuit. Na mijn eerste les denk ik daar totaal anders over. Vermoeiend is het wel, maar uitdagend en vooral leuk is het zeker! Iets om vaker te doen. Geen ramp om in zo’n geval in Australië te zitten…

Philip Island

Koala's spotten

Een ander tripje in het weekend ondernemen we met een paar Denen, een Duitser, Lise en ik. We gaan naar Philip Island. Dit eiland, ook weer anderhalf uur rijden van Melbourne (mits we de goede weg volgen) heeft vanalles en nog wat. Pelikanen, kangoeroes, koala’s, pinguïns en een racecircuit. Dat laatste hoort niet echt in het rijtje maar soit. Prachtig is het er vooral. We maken een strandwandeling, bezoeken een koala-behoudscentrum en bekijken de zonsondergang vanaf de uiterste punt van het eiland.

Brisbane

het begin van de mid-semester break

Dan: de grote mid-semester break. Met Lise en Laura gaan we een weekje naar (een klein stukje van) Queensland. Te beginnen bij Brisbane. Een kleinere stad dan Melbourne of Sydney, maar vooral totaal anders. Volgens velen is er weinig te doen (klopt) en is het een saaie stad (klopt niet). Als toerist ben je hier redelijk snel klaar. Op de eerste dag nemen we een rondleiding door de stad van Lizzy Tours. Zoek die firma vooral niet op trouwens, want het was gewoon Lise die volgens een strak schema een stadswandeling had opgesteld en als een echte gids overal de nodige achtergrondinformatie bij wist te vertellen.

We zien Chinatown, St John’s Cathedral, het renaissance-geïnspireerde stadhuis met bepaalde soorten zuilen (mijn kennis over de Griekse architectuur laat me hier toch in de steek, en ik ben vergeten wat Lise erover zei, sorry), het casino en Southbank, waar het Brisbane Festival gaande is. Er zijn verschillende activiteiten, waaronder een lichtshow, die we die avond besluiten te bezoeken. De dag erna vertrekken we naar Mount Coot-tha, een berg naast de stad die vergezichten over het centrum biedt. We nemen de bus naar de voet van de berg en wandelen hem door de Botanical Gardens omhoog. Bovenop hebben we inderdaad een prachtig uitzicht.

En dat was het wel zo’n beetje wat Brisbane betreft. Het is inderdaad geen stad waar je als toerist een week wil blijven. De stad heeft wel een totaal andere aantrekking. Het is er rustig, netjes en verzorgd. Er is genoeg om de stad als thuis aan te laten voelen, maar je verdrinkt er niet in het toerisme. Vergis je niet, het is een grote stad, maar het heeft de persoonlijkheid van een kleine regionale stad, wat het in Australische begrippen ook wel is. Waar Melbourne de stad is waar je eeuwig jong blijft, is Brisbane de stad voor wanneer je erachter komt dat die eeuwigheid misschien wat korter is dan gedacht. Niet dat het een ouwelullenstad is, maar het is er een stuk leefbaarder.

Fraser Coast

Strandhangen

Dan is het tijd om écht vakantie te vieren. En hoe kan dat beter dan aan de kust? Nou, aan de Fraser Coast bijvoorbeeld. Ergens 6 uur (maak er 7 van) met de bus ten noorden van Brisbane ligt Hervey Bay, waar we een Airbnb hebben. In de drie dagen die we hier doorbrengen staat er niet veel op het programma: een dagje walvissen spotten, een dagje naar Fraser Island en een dagje aan het strand liggen treuzelen. Dat is dus ook precies wat we gedaan hebben. We varen met een relatief klein bootje mee de open zee op, op zoek naar walvissen. Zeeziek alert! Gelukkig valt dat mee en kunnen we in alle rust walvissen bekijken, waarvan ik de foto’s op dit moment niet heel snel meer kan vinden. Wordt vervolgd!

Ook doen we Fraser Island aan, het grootste zandeiland ter wereld. Er is een hoop te zien, maar alle wegen zijn zwaar onverhard, dus hebben we een tour over het eiland genomen. Die brengt ons in een dag langs alle hotspots. ‘Het grootste zandeiland zijn’ is niet het enige record dat hier verbroken wordt. Ook zijn hier de grootste duinmeren, de giftigste spinnen en de langste zandsnelweg te vinden. Zandsnelweg? Zandsnelweg. Het hele strand langs de oostkust is een snelweg. Je mag er 80, er zijn geen strepen of bewegwijzering en af en toe moet je uitkijken voor opstijgende vliegtuigen. Geen grap. Op deze snelweg ligt ook een scheepswrak weg te roesten (waarom ook niet?) en monden meerdere doorwaadbare riviertjes uit. Nogmaals, geen grap.

Deel 2: De Grote Roadtrip
Melbourne-Sydney

Lakes Entrance en Mallacoota

Goed, dan mag nu dus het grote vakantievieren écht gaan beginnen. Ik heb ongeveer 7 weken vakantie in het vooruitzicht, waarvan de eerste 4,5 al in Nederland geboekt waren. Ik begin met anderhalve week rondtuffen in een campertje, om vanuit Melbourne uiteindelijk met een omweg in Sydney te raken. Op maandag 29 oktober haal ik de camper op en rij ik naar de eerste tussenstop: Lakes Entrance. Zo voor het eerst sinds drie maanden achter een stuur kruipen is al zowat, zit het kreng ook nog aan de verkeerde kant. Ik moet er maar aan wennen vrees ik. Gelukkig gaat dat sneller dan verwacht. Het busje komt, in de eerste drie versnellingen tenminste, prima mee in het verkeer (bij de laatste twee versnellingen is dat een totaal ander verhaal, maar goed) en na in het eerste halfuur een stijve nek gekregen te hebben van het wild om me heen kijken valt dat daarna wel weer mee.

Wat wel opvalt is dat, in tegenstelling tot de rest van de regelgeving in Australië, het wegverkeer nogal een wild-west-sfeertje heeft. Waar Australië normaal aan elkaar hangt van de waarschuwingsstickertjes zijn de wegen tamelijk chaotisch. Kronkelwegen met gaten erin en een bordje ernaast waar net zo goed “rij maar zo hard als je kan, toe maar” op had kunnen staan. Beetje verrassend. Op een afgelegen weggetje tussen niks en nergens mag je 100 kilometer per uur, en op een 5-baans snelweg mag je… 110. Je krijgt het zelf niet verzonnen. Vooral niet als op een van die afgelegen weggetjes ineens een truck met 2 karren vol boomstammen op je af gereden komt. Die 100 heb ik zelf ook niet snel gehaald, niet alleen omdat de koek van het busje bij die snelheid ongeveer op is, maar vooral omdat er dan zoveel aan rammelt en kabaal maakt dat, mocht er onverhoopt een kangoeroe onder terecht komen, dat ik bang ben dat ik het niet ga merken.


Lakes Entrance dus. Een paar inhammen aan zee die daar een paar mooie meertjes vormen met helder water en mooie stranden. Ik maak die avond nog een korte wandeling en besluit om de dag erna een wat grotere wandeling langs een van die inhammen te maken. Het is er rustig, ik zit als een van de weinige roadtrippers/backpackers al voor het hoogseizoen rond te reizen. Na mijn wandeling aan het strand reis ik door naar de tweede stop: Mallacoota. Dit kleine dorpje ligt aan de rand van de staat Victoria, op de grens met New South Wales. Volgens Wikipedia wonen hier normaal rond de 1000 man, maar in het hoogseizoen komen daar gemiddeld 8000 man bij, om vanuit hun vakantiehuisjes hier rond te varen in hun boten. In de tijd dat ik hier ben is het dorpje nog redelijk doods, maar de natuur liegt er niet om: mooi is het er hoe dan ook altijd.


Merimbula en Narooma

De kustlijn is ruig en ruw, met grote rotsen verspreid over witte stranden. Ook hier weer een strandwandeling dus, die mooie foto’s oplevert. De dag erna vertrek ik richting Merimbula in New South Wales. Net over de grens in NSW kom ik mijn eerste wilde kangoeroes tegen, die vlak voor mijn camper de weg oversteken. De rest van de rit blijkt weinig interessant en de bestemming eerlijk gezegd nog minder. Merimbula is volgens mijn Lonely Planet een ‘stadje waar relatief veel ouderen komen’, maar vooral het woord ‘relatief’ is nogal een understatement. Hier kamperen gewoon heel veel ouderen. Niet echt de plek voor mij dus. Goed dat het prima gelegen is, zodat ik de dag erna weer fatsoenlijk op pad kan.

Waar Merimbula wat tegenviel, doet de weg verder naar het noorden dat allerminst. Langs Cuttagee Lake rij ik naar Camel Rock en Horsehead Rock, verder door naar Australia Rock in Narooma en eindig ik in Sunshine Bay. Wederom een route vol mooie stranden, rotspartijen en prachtige uitzichten. De foto’s liegen er niet om. Vanuit Sunshine Bay rij ik de volgende dag naar het westen, het land in. Kings Highway heet het, een prachtige bergweg. Hoewel het campertje het er maar moeilijk mee heeft, kan ik me er toch mee amuseren. Na deze bergpas is het ineens relatief vlak en open. Weinig begroeiing, wat kleine rotsen her en der, maar anderszins gewoon groen en heuvelachtig. Ineens doemt er een dorpje op, Braidwood. Echt, maar dan ook écht in the middle of nowhere lijkt hier de tijd flink te hebben stilgestaan. Het voelt als een soort wild-west-Amerikaans dorpje aan. Ik stop er even om de benen te strekken en wat foto’s te maken en rij vervolgens door naar de eindbestemming voor die dag: Canberra.


Canberra

De hoofdstad dus. Vanuit een nabijgelegen bergtop bekijk ik de (afwezige) skyline van de stad en zie ik hoe vreemd de stad gepland en gebouwd is. Zoek het maar eens op op Google Maps, deze stad is van begin tot eind uitgemeten en gepland, als een soort mega-vinexwijk. Dat is het eigenlijk ook wel, want de hele stad is gebouwd met als enige doel de hoofdstad te zijn. Er was te veel strijd tussen Sydney en Melbourne over wie nu de hoofdstad mocht worden, dus werd Canberra er precies tussenin gebouwd om het probleem op te lossen. Het resultaat is evident: het is hier grof saai. Het is als een soort Washington D.C.: een stad met veel monumenten, herdenkingsplekken, lange brede straten, parlementaire gebouwen en musea. Alleen dan met iets minder sfeer. De dagen dat ik er ben is het parlement niet actief, wat het gebrek aan actie in de stad verklaart.

De tweede dag bezoek ik het parlementsgebouw, dat in een ronde heuvel is gegraven. Hierdoor kun je met slechts drie verdiepingen toch goed over de stad uitkijken. Het is een vreemd gebouw, maar net als de rest van de stad precies uitgemeten, symmetrisch en tot in de puntjes verzorgd. Indrukwekkend is het zeker. Ik bezoek het centrum van de stad nog even om te lunchen en rij vervolgens naar het ANZAC-monument, dat dient om Australische en Nieuw-Zeelandse militairen in de Tweede Wereldoorlog te herdenken. Ook hier voert precisie de boventoon, aangezien het gebouw precies in lijn ligt met het parlementsgebouw aan de overkant van het water. Toch heeft het wel iets, het idee dat een hele stad zo uitgemeten kan zijn en dat je in alle richtingen kan kijken en alle gebouwen precies op elkaar zijn uitgelijnd. Twee dagen is daar wel genoeg voor, dus rijden we door!


Jervis Bay

De volgende stop ligt weer aan de kust, ditmaal heet het Jervis Bay. Hier begint de kust weer wat dichtbevolkter te worden en begin ik me meer en meer in de bewoonde wereld te bevinden. De natuur is echter onveranderd mooi. Ik besluit om een wandelingetje te maken aan een kant van de baai en stuit daar op een touristenbureau. Hier geven ze me een kaart van het gebied met de meest Australische legenda ooit: een lijstje met alle dodelijke dieren die in dit gebied zitten. Deze soort spin, samen met die ene giftige slangensoort waar ze nog geen tegengif voor hebben ontwikkeld, en oh ja, een soort teken waar je verlamd van kan raken. Niettemin is dat niet het enige gevaar, want het gebied is ook gebruikt om oorlogsmaterieel te testen. Je kan dus een verdwaalde onontplofte landmijn tegen het lijf lopen. Kom je vanzelf wel achter. Ik begin me toch af te vragen wat ik hier in godsnaam denk te doen.

Ondanks alles is dit toch een van de mooiste gebieden waar ik geweest ben. Ik loop over een smal pad naar beneden, ben me bij iedere keer dat ik een struik aanraak bewust van die verrekte teken en ben met argusogen op zoek naar spinnen en slangen. Die kom ik gelukkig niet tegen. Wat ik wel zie is een prachtige verscholen baai: het paradijs is gevonden. Ik had na alle afgelopen bestemmingen het idee dat ik alle strand in de wereld wel gezien had, maar dit doet er alsnog een schepje bovenop, het is de kers op de taart. Ik blijf er nog rustig even in de zon zitten en vertrek vervolgens naar de laatste bestemming met mijn campertje. Terug het land in, op naar de Blue Mountains. Hier rij ik wel met een omweg naartoe. Die omweg heet de Grand Pacific Drive en heeft alles wat je ervan verwacht: kronkelende wegen door kustplaatsjes, lange bruggen over baaien en zelfs een brug langs een hoge klif door. Een prachtige weg om met een cabrio af te leggen, al is mijn campertje ook niet verkeerd.


Blue Mountains

De laatste tussenstop van mijn roadtrip. Hier besluit ik drie dagen te blijven, wat een goede keuze blijkt. Het is hier mooi. Echt, écht heel mooi. Ik had al redelijk wat bij elkaar gewandeld de afgelopen dagen, maar het wandelen begint hier pas echt. Gelukkig gaat dat ook prima hier. Van uitzichtpunt naar uitzichtpunt, het dal in, weer terug omhoog, regenwouden, riviertjes, rotswanden, vanalles en nog meer. Het is als een soort Zion National Park meets Grand Canyon, maar dan met meer regenwouden. Zoiets. Alleen foto’s kunnen omschrijven hoe mooi het is, dus dat laat ik ook maar daaraan over. Na mijn drie dagen hier lever ik de camper in en begint deel twee: Sydney.

sydney

anders dan melbourne

Hier is momenteel nog werk in uitvoering.